Van Boom tot Beeld

De cursus "Beeldhouwen in hout" aan De Gruitpoort Doetinchem; seizoen 2013-2014

home de middaggroep de avondgroep hout als beeldhouwmateriaal beeldhouwers gereedschap werkwijze Gruitpoort contact
Algemene kenmerken van hout Materiaaleigenschappen van hout Lijst van Nederlandse houtsoorten

Hardhout en zachthout
Hardhout komt van loofbomen; deze zijn meestal in de winter bladverliezend. De term hardhout zegt eigenlijk niets over de hardheid van het hout, want er zijn vele zachte houtsoorten onder de loofbomen (bijv. wilgen, populieren) en ook harde houtsoorten onder de naaldbomen (bijv. taxus).

Zachthout komt van naaldbomen; deze zijn meestal "blad"-houdend. Naaldbomen hebben soms schubvormige bladeren i.p.v. naalden.
..
Stamdoorsnede
Kijkend op de kopse kant van een dikke stam zien we, van binnen naar buiten achtereenvolgens:

Kernhout. In het midden van de stamdoorsnede van een oudere boom zit het kernhout. Dit is meestal zwaarder, harder en donkerder dan het spinthout eromheen. Het kernhout heeft voor de beeldhouwer vaak een interessantere kleur en tekening dan het omliggende spinthout. Bij een aantal houtsoorten, zoals berk, els, haagbeuk en gewone esdoorn vinden we geen onderscheid tussen kernhout en spinthout.

Spinthout. Om het kernhout heen ligt het spinthout. Water met voedingsstoffen, wat de boom uit de grond opneemt, wordt door het spinthout naar boven, naar de bladeren gevoerd. De oudste cellen in het spinthout sterven op de duur af en gaan dan over in kernhout. Spinthout is meestal minder zwaar, zachter en lichter van kleur dan kernhout, duidelijk te zien bij de taxus. Van versgezaagde bomen is het vochtgehalte van het spinthout meestal hoger dan van het kernhout. De beeldhouwer wil het kleurcontrast van het spinthout graag gebruiken in zijn sculptuur.

Cambium. Buiten het spinthout en onder de bast ligt het cambium. Dit is het meest "levende" gebied van de boom waarin de breedtegroei plaatsvindt door continue celdeling. Het cambium en de daaromheenliggende bast en schors wordt door de beeldhouwer meestal verwijderd.

Bast. Over het cambium ligt de bast. Via de bast worden de afvalproducten van de bladeren als sap naar beneden, naar de wortels afgevoerd. Aan de buitenkant van de bast sterven continu cellen af en gaan dan over in schors.

Schors. De bast wordt afgedekt en beschermd door de schors. Omdat de schors dode materie is gaat deze vaak scheuren en schilferen naarmate de boom in diameter groeit.
opbouw van een stam
Kenmerken van hout
Groeiringen. In ons klimaat is de groeisnelheid van hout in het voorjaar en de zomer hoger dan in najaar en winter. Hierdoor tekenen zich de groeiringen als "jaarringen" af; met relatief breed "vroeghout" en smal "laathout". Vaak is er verschil in kleur en hardheid tussen het vroeg- en laathout. Snelgroeiende bomen hebben brede jaarringen van wel 1,5cm (wilg); langzaamgroeiende bomen hebben jaarringen van 1mm (taxus).

Draad. De aaneenschakeling van houtvezels in de lengterichting van de stam noemen we de draad. Als de draad puur in de lengterichting ligt voor alle jaarringen, noemen we dit rechtdradig hout. Zo is er ook golfdradig hout, soms bij berken, essen, noten, sommige esdoorns. Op een glad oppervlak zijn dan golfjes te zien (bijv. de achterzijde van een viool). Bij kruisdradig hout verloopt de draad enigzins schroefvormig, per jaar wisselend links- of rechtsom. Dit komt vrijwel alleen bij tropische soorten voor (mahonie, azobe). Ook bestaat er wardradig hout; dan loopt de draad vrij willekeurig. Dit komt alleen voor bij tropisch hout (pokhout).

Nerf. Het begrip nerf slaat op de grootte van de vezels waaruit het hout bestaat; dit is te zien op een glad langsvlak. We onderscheiden grove nerf (eiken), matige en fijne nerf (berken, peren). Een grove nerf is moeilijker glad af te werken dan een fijne nerf.

Tekening. De verschillen in kleur, vorm en fijnheid van de vezels, de aanwezigheid van stralen en spiegels, maar ook het onderscheid tusen kern- en spinthout vormen samen de tekening van het hout. De tekening is verschillend voor de zaagrichting van het oppervlak:
  • bij kwartiers gezaagd hout is de zaagrichting radiaal, dwars op de jaarringen. We zien dan de jaarringen als streepjes.
  • bij "dosse" gezaagd hout is de zaagrichting evenwijdig met de buitenkant en zien we de volle tekening van enkele jaarringen.
Kleur. De kleur van hout wordt veroorzaakt door kleurstoffen opgenomen in de celwanden en -holten. De kleur van eenzelfde houtsoort kan per stuk sterk verschillen en verandert meestal onder invloed van zonlicht.

Geur. Sommige houtsoorten zijn te herkennen aan de specifieke geur die ze afgeven bij bewerken, bijvoorbeeld teak ruikt "leerachtig".
Materiaaleigenschappen als buigsterkte, hardheid, krimpsterkte etc. worden behandeld onder
Materiaaleigenschappen van hout.
tekeningen
Microscopische opbouw
Cellen. Hout is opgebouwd uit kleine cellen met een doorsnede van enkele honderdste millimeter. De inhoud van de nog in groei zijnde cellen (spinthout) bestaat uit sappen, zoals zuren, suikers, looistof en kleurstoffen. Het materiaal van de celwand geeft het hout zijn stevigheid en hardheid. Vergelijk deze structuur met de honingraat van bijen. De soortelijke massa van het celwandmateriaal is voor alle houtsoorten gelijk, nl. 1,54 kg/dm3. De hardheid, sterkte en zwaarte van een houtsoort wordt bepaald door het gehalte aan celwand:
  • dikke celwanden met weinig celinhoud vinden we in hard en zwaar hout

  • cellen met geringe wanddikte en grote celinhoud vinden we in zacht en licht hout.
???
Houtstructuur van loofbomen
Houtvezels. De houtcellen van loofhout, aangeduid met houtvezels, zijn kleiner in lengte en diameter dan bij naaldhout en hebben naar verhouding een dikkere wand. In het algemeen zijn de cellen in het vroeghout veel groter dan die in het laathout. Daarom is er een duidelijk kleurverschil en tekening te zien in de jaarringen.

Houtvaten. Dit zijn -in de lengte en dikte- aaneengesloten cellen zonder tussenwanden, die als buizen fungeren. Op het kopse vlak zijn deze met het blote oog te zien als poriën.

Inhoudsstoffen. Deze komen voor in de houtvaten van het kernhout als achtergebleven droge resten van de sappen uit het spinthout. Ze geven het kernhout zijn karakteristieke kleur.

Houtstralen. Dit zijn dwars op de jaarringen lopende bundels cellen. Bij loofbomen zijn deze veel groter dan bij naaldbomen. Ze komen in grote verscheidenheid voor. Bij europees eiken zijn ze te zien als "spiegels" op het kwartierse vlak.
eik
Houtstructuur van naaldbomen
Tracheïden. Bij naaldhout zijn de houtcellen langgerekt en toegespitst (tot 3mm lang) en worden tracheïden of ook vezels genoemd. De cellen in het vroeghout zijn dunwandig en licht van kleur; de cellen in het laathout zijn dikwandiger en donkerder van kleur. De verticale sapstroom van de ene cel naar de andere gebeurt door diffusie via dunne plekken, de hofstippels in de celwand. De cellen staan dus niet in open verbinding met elkaar.

Houtstralen. Dit zijn dwars op de lengterichting lopende dunne cellen die voor horizontale sapstroom en opslag van reservevoedingsstof dienen. Ze worden ook wel parenchymcellen genoemd. De houtstralen zijn te zien als fijne lijntjes op het kopse vlak, verlopend dwars op de groeiringen volgens de straal.

Harskanalen. Veel naaldhoutsoorten bezitten lange, in de lengterichting lopende fijne harskanalen die gevuld zijn met nog vloeibare hars. Onder een loep (10x) zijn deze kanalen op een dwarsdoorsnede te zien. Niet te verwarren met houtvaten bij loofhout.

den

naar boven